Linoleum leggen

Je zult het geloven of niet: ik kom vorige week, na het insturen van mijn column, thuis.
Rambo kon niet weten dat ik hem blootgesteld had aan het internet.
Normaal gesproken, als ik de huiskamer binnenstap, ligt hij in zijn mand of is hij al buiten, maar wat schetst mijn verbazing: meneer zit pontificaal op de bank en kijkt mij aan alsof hij zeggen wil: leuk geprobeerd maar ik ga toevallig wel mijn eigen gang, verbeeld je maar niks!

Het was tamelijk bizar. Dit gebeurt nooit.

Net als bij de eerste column van het nieuwe jaar (Wit als sneeuw) kreeg ik op Kattenkwaad nogal wat reacties. Maar, om eerlijk te zijn, deze keer was niet iedereen even enthousiast. Iemand wierp mij voor de voeten: leuk, een niemendalletje over katten, maar wat is de moraal van het verhaal?

Volgens mijn eigen idee was de boodschap wel helder: ook u, jij en ik doen kattenkwaad. Het is niet altijd even beroerd bedoeld, maar we klooien en slopen wat af. Van Bovenaf moeten er dan weer herstelwerkzaamheden verricht worden. Niettemin stelt de Opdrachtgever er een eer in ons zoveel mogelijk steeds weer met een nieuwe lei te laten beginnen.

Ik moet denken aan iemand die ik hoog heb staan.
Ik was 16 en ik zocht een baantje voor in de zomervakantie.
Ik werd aangenomen bij Offringa, een stoffeerdersbedrijf in Nieuw-Vennep.

Offringa had een grote klus aangenomen, namelijk de vloeren van het gebouw van de (voormalige) Hogere Zeevaartschool in Amsterdam voorzien van een soliede linoleum laag.

Ik bakte er, zeker in het begin, niet veel van.
Het linoleum was zwaar en stug, het snijden aan de plinten en in de hoeken vakwerk.
Natuurlijk deed ik mijn best – immers, ik had mijn zinnen gezet op een nieuwe fiets ‘met’ trommelremmen, een heuse Woodstock, bijna wekelijks bracht ik de plaatselijke fietsenmaker Honcoop een bezoekje om me te verlekkeren en te fantaseren over het moment dat ik het fel begeerde vervoersmiddel zou bestijgen -, maar hoewel ik niet heel onhandig was (mijn pa
had me best al heel wat geleerd) merkte ik dat het linoleum leggen niet echt mijn ding was.

Respect voor mijn baas Leen Degenaars.
Hij stelde vast dat ik ‘goed’ was in lijm aanbrengen en stelde me daarom gelukkig vrij van het plooien en snijden (de grote nachtmerrie van stoffeerders is dat ze aan de plint ‘te kort’ komen!).

Meneer Degenaars gaf mij het gevoel dat ik, ondanks dat ik geen ster was aan het firmament van de stoffeerderswereld, een positieve bijdrage kon vormen.

Als ik nadenk over geloof – over hoe wij de dingen verknoeien, maar niettemin door onze Schepper, onze God en Vader van Jezus Christus vriendelijk bejegend worden, ‘de baas van ’t zaakje’ – dan stroomt dankbaarheid en blijdschap mijn hart binnen. Heb jij dat ook?

Ds. Aart van der Maarl